Inge De Wilde en Jos Theunis

Uit de inspecties bleek dat de preventieve maatregelen goed werden opgevolgd

Voorzieningen voor personen met een handicap volgden de preventieve richtlijnen en maatregelen om een COVID-uitbraak te voorkomen in de eerste en tweede coronagolf goed op. Dat blijkt uit een rapport van Zorginspectie, die bijna 200 zorgaanbieders tussen juni 2020 en maart 2021 doorlichtte. Inge De Wilde van Zorginspectie en Jos Theunis van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH) geven meer uitleg.

“Het rapport is het resultaat van de inspecties die we uitgevoerd hebben, tussen juni 2020 en maart 2021”, begint Inge De Wilde, vervangend teamverantwoordelijke in het team gehandicaptenzorg bij Zorginspectie. “We zijn met deze inspecties begonnen om enerzijds te controleren of voorzieningen de richtlijnen rond preventie toepassen en anderzijds om te bekijken hoe goed ze voorbereid zijn in het geval van een uitbraak. Daarnaast ging er ook aandacht naar de kwaliteit van leven van de gebruikers in de voorzieningen.”

De conclusie? “Uit de inspecties bleek dat de preventieve maatregelen op vlak van handhygiëne, gebruik van mondmaskers, onderhoud en alertheid voor COVID-19 symptomen goed werden opgevolgd”, vertelt De Wilde. “Vooral het handen wassen springt er echt uit. Voorzieningen hebben er sterk op ingezet om hier een routine rond op te bouwen. Ook qua voorbereiding op een uitbraak waren de resultaten goed. Slecht een kleine minderheid slaagt er niet in om met hun huidige infrastructuur en personeelsomkadering ervoor te zorgen dat besmette cliënten gescheiden worden van niet besmette cliënten. Een verbeterpunt is dat sommige gebruikers in het geval van kamerisolatie zouden moeten inboeten op levenskwaliteit. Niet alle bewoners hebben immers een eigen kamer en persoonlijke kamers zijn niet altijd voldoende uitgerust voor kamerisolatie. Bovendien laat de problematiek van de bewoners die manier van isoleren niet altijd toe. Hier hebben we een aantal aanbevelingen rond geformuleerd”, besluit De Wilde.

“Voor ons was het rapport een bevestiging van het gevoel dat we hadden dat de voorzieningen het goed hebben gedaan”

“Voor ons was het rapport een bevestiging van het gevoel dat we hadden dat de voorzieningen het goed hebben gedaan”, vertelt Jos Theunis, afdelingshoofd vergunnen en financieren bij het VAPH. “De voorzieningen hebben enorm hun best gedaan, maar dat neemt niet weg dat heel wat gebruikers zich toch wat in de steek gelaten voelden. Het VAPH heeft ook zelf een onderzoek gedaan naar gebruikers toe en hieruit blijkt dat hoewel gebruikers erkennen dat de voorzieningen hun best hebben gedaan, er toch een serieus effect was op de dienstverlening. Dat kan ook niet anders”, besluit Theunis. “Zeker in het begin van de pandemie, toen beslist werd dat de voorzieningen op slot gingen en er geen bezoek toegelaten werd”, valt De Wilde in. “In die periode dachten we nog dat dit over een aantal weken wel zou overwaaien, maar toen bleek het over een heel lange periode te gaan dat mensen afgesneden werden van hun netwerk. Iedereen deed heel hard zijn best en ging hier heel creatief mee om, maar het gemis bleef natuurlijk wel.”

“Mensen vergeten wel eens hoe zwaar het was in die eerste weken van de pandemie”

“Mensen vergeten wel eens hoe zwaar het was in die eerste weken van de pandemie”, vertelt Jos. “Er waren nauwelijks tests, alcoholgel of mondmaskers. Niemand had ooit iets gelijkaardigs meegemaakt. In die periode hebben we absoluut de nadruk gelegd op veiligheid. Dit heeft natuurlijk een impact op het psychosociaal welzijn, maar het alternatief was om heel wat overlijdens te riskeren. Personen met het Syndroom van Down zijn bijvoorbeeld zeer gevoelig voor een zwaar ziekteverloop en overlijden. Bij de zorg voor deze mensen gaan voorzieningen dan natuurlijk minder snel versoepelen. Elk overlijden is er één te veel en gelukkig zijn er binnen onze sector relatief weinig dodelijke slachtoffers gevallen.”

“Het grote voordeel is dat de zorg voor personen met een handicap wordt georganiseerd in leefgroepen, die dan snel tot bubbels kunnen worden omgevormd. Een leefgroep bestaat gemiddeld uit 10 cliënten. Normaal gezien is er veel interactie met andere leefgroepen, maar op het moment dat de pandemie uitbrak, plooiden alle leefgroepen terug op zichzelf. Dat maakt dat het risico op besmetting kleiner was dan bij andere sectoren”, vertelt De Wilde. Voor de veiligheid van de bewoners speelde hun leven zich dus voornamelijk af binnen de bubbel van de eigen leefgroep of woning. Mits specifieke afspraken konden ze wel gebruik blijven maken van de gemeenschappelijke ruimtes zoals ontspannings- of snoezelruimtes.

Theunis maakt wel een kanttekening bij het rapport. “De pandemie is zo variabel in zijn verloop, dat het niet altijd makkelijk is om ruime conclusies te trekken. In de periode waarin de inspecties plaatsvonden, nam de besmettingsgraad verschillende keren toe en fluctueerden zowel de overheidsrichtlijnen als de VAPH-richtlijnen voor voorzieningen. Met de omicron-variant zitten we nu bijvoorbeeld weer in een nieuwe situatie. Daardoor is het moeilijk om eenduidig te zeggen: dit heeft gewerkt en dit nemen we voortaan als leidraad. De situatie verandert namelijk zo snel.”