Minne De Boeck en Marc Verhelst

We willen kindermisbruik voorkomen door mensen met pedofiele gevoelens te helpen

Minne De Boeck en Marc Verhelst

Met ‘Stop it Now!’ zet het Departement WVG in op de preventie van kindermisbruik. In mei werd de gelijknamige hulplijn gelanceerd, voor mensen met pedofiele gevoelens en hun naasten. Criminologe Minne De Boeck (Universitair Forensisch Centrum), en beleidsmedewerker Marc Verhelst doen het verhaal.

Met ‘Stop it Now!’ wordt gekozen voor preventie. Heeft dit een bewezen effect?

De Boeck: “Helaas kunnen we daar nooit concrete cijfers op plakken: we weten niet hoeveel gevallen van misbruik voorkomen zijn door onze hulplijn. Maar dankzij internationale voorbeelden weten we dat er nood is aan preventieve hulp. In de Verenigde Staten bestaat ‘Stop It Now!’ al meer dan 25 jaar, in het Verenigd Koninkrijk sinds 2002, in Nederland sinds 2012…”

Verhelst: “Deze hulplijn doet ook méér dan enkel kindermisbruik voorkomen. Er lopen heel wat mensen met pedofiele gevoelens rond, en de grote meerderheid zal nooit feiten plegen. Maar toch zijn ze vaak zeer verward en eenzaam. Het risico op suïcide is bij deze groep ook groot. Een luisterend oor is dus zeer belangrijk.”

De Boeck: “Het taboe blijft groot: probeer maar eens aan je partner of vrienden uit te leggen dat je seksuele gevoelens hebt voor kinderen. De meeste pedofielen durven dat ook niet aan hun huisarts te vertellen, laat staan dat ze op eigen initiatief naar een behandelcentrum durven te stappen. Met het ‘Stop it Now!’-project willen we ook dat taboe helpen te doorbreken.”

Hoe werkt de hulplijn concreet?

De Boeck: “Wie belt of mailt, komt in contact met een gespecialiseerde medewerker. Meestal is het voldoende voor hen om hun verhaal te doen, maar soms is het nodig om mensen door te verwijzen. Dan geeft de medewerker contactgegevens van een gespecialiseerd behandelcentrum. Al staat het de beller of mailer natuurlijk vrij om daar iets mee te doen. Voor de medewerkers is het wel een evenwichtsoefening: wie heeft verdere hulp nodig, wie niet? Loopt de persoon die contact opneemt een bepaald risico – depressie of suïcide bijvoorbeeld? Of zijn andere mensen in gevaar? Ze krijgen vaak zware casussen te verwerken, maar worden wel goed ondersteund en krijgen ook extra opleidingen.”

Hoeveel mensen hebben al gebeld naar de hulplijn?

De Boeck: “We zijn gestart in mei 2017 en hebben nu cijfers tot december: in totaal waren er 313 contacten. Zestig procent daarvan verliep per e-mail, veertig procent telefonisch. Opvallend: telkens wanneer ‘Stop it Now!’ in de media komt, zien we een piek van oproepen.”

En wie zijn de mensen die bellen of mailen?

De Boeck: “Zes op de tien oproepen komen van mensen die bezorgd zijn over zichzelf. Zij zijn onze belangrijkste doelgroep, dus het is goed dat we hen bereiken. De meesten willen gewoon hun verhaal doen en zoeken niet meteen gespecialiseerde hulp. Maar er is ook een groep (29 procent) die misbruikbeelden van minderjarigen hebben bekeken. Vaak bellen zij wanneer ze in een crisissituatie zitten, na een inval van de politie bijvoorbeeld. Het goede nieuws is dat zij meestal gemotiveerd zijn om hulp te zoeken.”

Maar er zijn dus ook veel mensen die niet voor zichzelf bellen?

De Boeck: “21 procent van de oproepen komt van mensen die bezorgd zijn over iemand anders: partners bijvoorbeeld, of professionals. Daarnaast is er een iets kleiner percentage oproepen met maatschappelijke en informatieve vragen: mensen die het debat rond zo’n hulplijn willen aangaan, bijvoorbeeld. En een ‘restgroep’ van mensen die ophangen wanneer ze een medewerker aan de lijn krijgen. Gelukkig hebben we amper last van valse bellers of veelbellers.”

Hoe vaak wordt doorverwezen naar professionele hulp?

De Boeck: “Tot eind 2017 is dat 40 keer gebeurd. Dan geeft de medewerker contactgegevens van een behandelcentrum door. We vragen aan de gespecialiseerde centra om ons op de hoogte te houden van aanmeldingen via de hulplijn, en daardoor weten we dat er op deze manier al 13 hulptrajecten zijn gestart.”

Jullie krijgen soms verontrustende telefoons. Wordt het beroepsgeheim dan doorbroken?

De Boeck: “We proberen eerst alle mogelijkheden binnen de hulpverlening uit te putten. Pas in laatste instantie, als we weten dat een identificeerbaar slachtoffer gevaar kan lopen in de toekomst, kan een melding worden gedaan bij het parket. We werken nauw samen met de vertrouwenscentra kindermishandeling, om in te schatten hoe verontrustend een situatie is. Gelukkig hebben we nog maar één keer die afweging moeten maken.”

Wat brengt de toekomst?

Verhelst: “De hulplijn gaat zeker door. Hiermee stoppen, zou onethisch zijn. Maar het is belangrijk om te onderstrepen dat dit een breed preventieproject is. Het is geen geïsoleerde hulplijn, dat zou zinloos zijn.”

De Boeck: “Er schuilt inderdaad een breed project achter. Van hulpverlening, maar ook van onderzoek. Zo worden de oproepen regelmatig geanalyseerd en geëvalueerd, om te weten hoe we de meeste impact kunnen hebben. Zo werken we nu een zelfhulpmodule uit voor mensen die misbruikbeelden van minderjarigen hebben bekeken.”